De zegen en de vloek van het sexappeal, ofwel — May 2009

De zegen en de vloek van het sexappeal, ofwel: Je zou toch zomaar kunnen krijgen wat je vraagt

Het is altijd ego-feest. Ideale lichamen spiegelen zich aan elkaar met strak narcisme, zij presenteren elkaar prachtige borsten en wasbordbuiken en spelen met het zorgvuldig ingestudeerde raffinement van hun aantrekkingskracht. Zowel mannen als vrouwen pronken als luxe speeltjes, met lang haar – gitzwarte krullen of zijdeachtige, blonde manen – volle lippen, verlangend en glanzend als parelmoer, blinkend witte tanden. Champagne of de après-sigaret in de Frans gemanicuurde, met siliconen nagels en ringen verfraaide hand, zware zilveren kettingen om hals en heupen, de ketenen met dun gouddraad omwonden, Rolex of Patek Philippe om de pols, strings en doorschijnende bh’s, opengeknoopte zijden hemden en jarretelles zonder gordeltjes, hoge hakken en met strass ingezette XXL-brillen: De stilering en maximalisering van de eigen aantrekkingskracht verleidt door perfectionistische poses en gebaren, maar wordt tot een zelf gegraven valkuil, juist doordat ze haar geoptimaliseerde schoonheid als maatstaf hanteert.

Als hedonisme zo eenzijdig tot ultieme levensinvulling wordt gekozen en zelfs als placebo voor het eigen bestaansrecht functioneert, dan ontstaan er leemtes. Al meer dan twintig jaar destilleert de Amerikaanse kunstenaar Terry Rodgers (geboren in 1947 in Newark, New Jersey, en opgegroeid in Washington) in zijn werk de rituelen van de consumptiemaatschappij die alles, zowel lichamen als goederen, van sexappeal voorziet. Zijn uiterst virtuoos geschilderde werken ziet hij als allegorieën van alle “dromen en verlangens, inspanningen en gevechten om gelukkig te worden en liefde te vinden. Wij streven met alles wat wij hebben naar erkenning, genegenheid en menselijke warmte en toch blijven we eenzaam.” Geen wonder, dat men het happy end, tenminste in de geseculariseerde westerse wereld, bijna uitsluitend bereikt via de door de kapitalistische geloofsleer voorgespiegelde luxe. Frustratie is dan onvermijdelijk, “omdat spullen te koop zijn, maar harmonie en gevoel van eigenwaarde niet”, aldus Rodgers.

Nu lijkt het einde van deze eigenaardige vervreemding, van de door welvaart ontstane leemte in zicht. De wereldwijde financiële crisis, uitgebroken in de herfst van 2008, maakt de gladde, decoratieve boy-toys en it-girls niet alleen op materieel niveau tot Strangers in Paradise (de titel van een schilderij uit 2008), maar ook op het ethisch behavioristische niveau van hun gedragspatroon. Plotseling blijkt het esthetische decadentieconcept van het turbokapitalisme niet meer het hoogste streven. Want achter de glanzende façade komt de lelijke kern van pure zelfzuchtigheid tevoorschijn.

Einde feest. Einde feest? Rodgers zelf heeft zijn zedenschilderingen altijd al gezien als sfeerschetsen van een existentialistische, katterige after-party-stemming, die ons beving vanaf het moment dat we begonnen om ons te definiëren met mediabeelden, een verschijnsel dat in de loop der tijd alleen maar toenam. Voor de foto- of filmcamera lijkt bijna iedereen bereid om grenzen te overschrijden – van diëten tot plastische ingrepen, van marteling tot brute moord. De eindeloze manipulatie van foto en film wordt weerspiegeld in die van ons lijf, tot in de ingewanden aan toe. De wederzijdse afhankelijkheid tussen mens en media die in haar meest extreme vormen bijna onvermijdelijk tot perversie leidt, wordt volgens Rodgers bepaald door de totale “fictionalisering van onze cultuur”. In plaats van voorstellingsvermogen en fantasie te prikkelen blokkeert ze deze juist, omdat mediale beeldcultuur, anders dan literatuur, de waarneming eendimensionaal verpakt. Dit belemmert de communicatie tussen de zintuigen, tussen voel- en merkbare nabijheid en warmte, die niet door beelden te vervangen is. Hoe meer dus de virtualisering van de realiteit, die in onze maatschappij een angstaanjagende groei doormaakt, onze kwetsbare werkelijkheid beheerst, des te minder kans van slagen heeft een directe, menselijke communicatie.

Het gelikte werk van Terry Rodgers richt zich precies op dit dilemma. Terwijl de sterren en sterretjes van onze tijd – die aan de lopende band veelbelovende lookalikes produceren en in Rodgers’ schilderijen af en toe opduiken – vorm geven aan de wisselwerking tussen werkelijkheid en schijn, blijven de massa’s aan dit verschijnsel overgeleverd. Aanstormende beroemdheden leren weliswaar in series als Expeditie Robinson of Next Top Model enkele kneepjes van het televisievak, maar ruimte voor analytische observatie is er niet. Terwijl hun grote voorbeelden, de symbolen van hun projecties, fonkelend stralen blijven zij zelf objecten en slachtoffers van de alomtegenwoordige mediamachinerie.

“Daarom maak ik mijn composities als stillevens van de verleiding. Er is voortdurend een overvloed aan alles: accessoires, drugs, begeerte, schoonheid.” Maar overvloed, zo toont Rodgers met zijn schilderijen aan, is een volstrekt ondeugdelijk recept tegen bodemloze en pure lustobsessie.

Zijn modellen haalt Rodgers overal vandaan, uit restaurants, clubs, van luchthavens en gewoon van straat. Een bepaald detail van hun gezicht of hun figuur kan genoeg zijn om hem te inspireren. Hij spreekt ze aan, vraagt ze mee in zijn atelier, geeft ze kleren om te passen, tekent ze en schetst op een gegeven moment de compositie die hem voor ogen staat. Eerst schildert zijn assistent een eerste, ruwe kleurenversie met acrylverf, voordat de kunstenaar weken- en soms zelfs maandenlang met olieverf laagje voor laagje op het doek aanbrengt. Hij werkt aan soms wel tien schilderijen tegelijkertijd en doet dit met de bravoure van een oude meester. Het is geen toeval dat Rodgers de schilders Diego Velázquez en Otto Dix, het genie van de Neue Sachlichkeit van de jaren ’20, tot zijn grote voorbeelden rekent, maar ook Degas, “vanwege de bekoorlijkheid van zijn taferelen”.

Zijn eigen figuren ontberen echter bekoorlijkheid, omdat deze niet alleen door uiterlijke schoonheid maar ook door overgave en bezieling bewerkstelligd wordt. In het tijdperk van de “post-erotiek”, zoals Rodgers het karakteriseert, ervaren veel mensen seks graag zonder gevoel, als een geraffineerde cocktail. Daar is niets op tegen, maar op den duur blijft het troosteloos onbevredigend.

Terry Rodgers’ schilderijen tonen dit vacuüm als gebrek aan evenwicht “tussen de maatstaven die iedere maatschappij, niet alleen de westerse, kenmerken”. Fundamentalistische ideologieën, of ze nu religieus, etnisch of politiek zijn onderbouwd, of – zoals in de westerse wereld – kapitalistisch-hedonistisch, verbreken het wankele evenwicht tussen innerlijke integriteit en zelfbeheersing enerzijds en door het systeem opgelegde conventies anderzijds. In plaats van het absoluut stellen van waarden, die van de mammon of die van een orthodoxe geloofscanon, zouden we allemaal weer meer moeten durven liefhebben.

Eva Karcher, Munich 2009

back